Taalweb






Verslag Taalweb/ APT bijeenkomst 9 oktober 2008 in de OBA.


De agenda:
14.15-14.20 Welkom en opening door Marja Borgers en Marian Konijn.
14.20-15.05 VERHAAL VERTELLEN
Inleiding op het boeiend vertellen in klassensituaties (Francine Plaisier, verhalenfabriek)
15.15-16.00 VERHAAL SCHRIJVEN
Workshop korte verhalen schrijven met leerlingen (Job Creyghton, H.U.)
16.15-17.00 VERHAAL UITBEELDEN
Presentatie over het uitbeelden van een verhaal (Maarten Sprenger, Dramatori)


VERHAAL VERTELLEN
Francine Plaisier, verhalenfabriek.

Francine opent haar presentatie met een verhaal. Het verhaal is nog niet af. Het is een verhaal waarna je vragen kunt stellen aan kinderen.

Het project "Verhaal centraal" is bedoeld voor kinderen vanaf groep 6 in het basisonderwijs. De verhalenfabriek werkt in groepen van maximaal 6 leerlingen. De leerlingen leren gedurende het project te vertellen en een spreekbeurt of presentatie te houden. De leerlingen wisselen hun dromen uit met volwassenen/ bedrijven. Corporate storytelling verschaft bedrijven een inspirerend verhaal en een versterkt imago. Daarbij wordt het gevraagd een paspoort te maken waarin zij antwoord geven op de volgende vragen: "Waar ben ik goed in? Wie wil ik zijn? Wat wil ik worden?" De antwoorden die de kinderen geven zijn feitelijk kleine verhaaltjes.

Een verhaal bindt, kinderen herkennen hun eigen situatie in een verhaal.
Een verhaal motiveert en is een prachtige inleiding op verschillende thema's.
Vertellen is de oudste vorm van communicatie.

Er is een verschil tussen verhalen en vertellen. Vertellen is gebaseerd op de fantasie. Bij verhalen heb je houvast van een boek. Francine zet wat tips op een rijtje om te vertellen zonder boek.

  • Houd het verhaal dat je vertelt dicht bij jezelf.
  • Probeer tijdens het vertellen de gebeurtenissen in het verhaal voor je te zien.
  • Denk aan je publiek; wat wil je het publiek meegeven?
Voor meer informatie over de projecten van verhalenfabriek: www.verhalenfabriek.nl


VERHAAL SCHRIJVEN
Job Creyghton, H.U.

Schrijven is niet makkelijk. Je moet kunnen fantaseren en kunnen improviseren. Bovendien moet je eveneens de fantasie en verbeeldingskracht van de lezer zien te stimuleren en dit productief maken.

Er zijn drie belangrijke dingen die structuur geven aan een verhaal:
  • De analyse, indeling, inhoud.
  • De stijl, vorm, alinea's, leestekens.
  • Verbeelding, de lezer interesseren en geïnteresseerd houden.
Aanpak bij het schrijven van een verhaal:
Schrijven begint bij het je oriënteren op een verhaal, het opdoen van een idee. Vervolgens dien je dit idee vorm te geven en te ontwikkelen. Een schrijver moet goed kunnen observeren en zich daarbij afvragen: "Wat ga ik in mijn verhaal gebruiken?" Een schrijver moet in zijn fantasie kunnen spitten: "Wat komt er in mij op?" In de aanvankelijk fase van het schrijven mag de schrijven geen censuur toepassen. Hij moet vrij kunnen noteren wat er in hem opkomt.

Tip: Gebruik bij het schrijven de zintuigen en geef antwoord op de vraag: "Wat hoor/ ruik/ voel/ proef/ zie ik? Schrijven is je zintuigen gebruiken en dit te registreren.

Opdracht 1:
Men wordt gevraagd om een foto -waarop een man en een vrouw in een café staan afgebeeld- objectief te bekijken en te beschrijven: "Wat zie je?"

Deze opdracht kunnen docenten toepassen in het onderwijs. Het volgende criteria zijn daarop van toepassing:
  • Kinderen moeten zich met het beeldmateriaal kunnen identificeren.
  • Kinderen moeten antwoord kunnen geven op de vraag: "Wat voel ik?"
  • Daarnaast moet het beeldmateriaal vragen oproeren zodat leerlingen interpretaties kunnen geven: "Wat is het?"
Dit zijn de basiselementen voor het schrijven van proza en verhalen:
  • Als je schrijft dien je handelingen en beschrijving af te wisselen.
  • Als je schrijft geef je weer wat je ziet, hoort, voelt, ruikt, proeft.
  • Als je schrijft moet je handelingen kunnen interpreteren en deze handelingen afwisselen met dialoog. In de dialoog kan de schrijver interpretaties tot uitdrukking brengen. De schrijver kan zo aangeven wat de onderlinge verhoudingen zijn en hoe die zich ontwikkelen.
Aandachtspunten voor het schrijven zijn: de lezer wil de karakters in het verhaal leren kennen. Er dient antwoord te worden gegeven op de vraag: "Wat zijn zijn goede en slechte eigenschappen van de personages?" Dit biedt mogelijkheden tot het creëren van spanning en conflicten.

Kinderen leren schrijven door veel te lezen en veel te schrijven, eindeloos te associëren. Het schrijven van een verhaal bestaat uit kleine stapjes die gefaseerd aangeboden moeten worden. Men kan bijvoorbeeld beginnen bij de beschrijving van het uiterlijk van de karakters en zijn of haar tegenstrijdigheden. De schrijver dient antwoord te geven op vragen als: "Wat is de achtergrond van het karakter? Wat is zijn werk, zijn achtergrond, geloof et cetera."

Tip: Geef leerlingen een korte gerichte, eenvoudige, heldere opdracht. Dus géén: "Schrijf een verhaal over…" Probeer de fantasie van de leerlingen te stimuleren door onderdelen uit de eindopdracht te halen en de opdracht gefaseerd/ in hapklare brokken aan te bieden. Probeer zo paniek of een writersblock te voorkomen. "Eerst dit, dan dat…" Bij een overzichtelijke opdracht hoeven leerlingen niet te denken aan de opdracht daarvoor. De opdracht moet voldoende mogelijkheden bieden voor de leerlingen om uit zichzelf iets te generen. Immers, als je leerlingen vraagt: "Schrijf een verhaal…" dan vervalt men al snel in clichés.

Opdracht 2:
Kijk naar de foto en gebruik je zintuigen. Geef antwoord op de vragen: "Wat voel je? Wat denk je?"
NB: De interpretaties van beelden zijn interessanter. Ook stiltes in een verhaal zijn belangrijk. Dit zet de toon. Dat wat er niet staat, wat iemand niet zegt, is spannend.

Opdracht 3:
Schrijf een dialoog.

Wissel dialoog af met een beschrijving. Nodig de leerling uit tot het gebruik van varianten hierop. Vraag hem een derde karakter in het verhaal te brengen. Wat dit karakter denkt /ziet/ zegt/ voelt kan zeer interessant zijn. Zo zijn er legio kansen. Daarom is het van belang om langzamerhand een lijn in het verhaal te creëren. Zodat de leerling gerichter te werk kan gaan. Vraag hem het verhaal te ordenen; wat past wel en niet? Vraag hem te improviseren en het verhaal zo nodig aan te passen.

Opdracht 4:
Bedenk een verhaallijn.


VERHAAL UITBEELDEN
Maarten Sprenger, Dramatori.

Alle verhalen kunnen uitnodigen tot uitbeelden. Een verhaal uitbeelden is uitnodigen tot bewegen en een manier om kinderen met elkaar in contact te brengen.

De basis voor het uitbeelden van een verhaal is de veiligheid en sfeer in de groep.

Wat is uitbeelden?
Uitbeelden is het in scène zetten van een verhaal. Concreet of filosofisch leren om een verhaal te beleven. Uitbeelden is geen theater, maar expressie van jezelf. Het uitbeelden van verhalen bevordert de taalontwikkeling en sociale vaardigheden. Het creëren van een verhaal voegt iets toe aan de groepsdynamiek.

Wat gebeurt er bij uitbeelden?
Je ziet of het verhaal begrepen is. Kinderen kunnen een verhaal beter onthouden door het te ervaren, door te bewegen en het verhaal te beleven. Op deze manier kunnen ze de inhoud verwerken, het verhaal tot hen door laten dringen. Door het verhaal na te spelen en van rol te wisselen leren kinderen elkaar beter kennen en brengt het ze nader tot contact.

Als leerkracht/ regisseur kun je op een vriendelijke manier ingrijpen als het verhaal niet begrepen is. Je hoort tijdens het uitbeelden wat kinderen uit een verhaal halen. Er is geen goed of fout.

Ruimte voor het uitbeelden van een verhaal:
Als je een verhaal aanbiedt is de verhaalkeuze van belang. Kies als docent wat bij je past.
De veiligheid in de groep staat voorop. Kinderen moeten zich vrij voelen om te doen wat hen ingeeft. Werk bij het uitbeelden van een verhaald bij voorkeur met kleine groepen; niet meer dan 15 leerlingen.

NB: Er is een verschil tussen performance en expressie. Bij performance treed je op voor een publiek. Het is een vorm van theater waarbij herhaling plaatsvindt. Expressie is kleiner. Expressie is drama, doen wat je verzint en niets is goed of fout.

Vertellen:
Stem het contact tussen verteller en publiek af. Pak bij het vertellen de kern van jezelf, gebruik de stilte als informatie. Observeer of de kinderen actief luisteren en of zij zich inleven in het verhaal. Verhalend voorlezen mag.

Praktische punten voor het uitbeelden van een verhaal:
  • Na het verhaal kun je als verteller een 'rondje maken". Dit kun je doen door de leerlingen te vragen: "Welke rollen of attributen in het verhaal vond je interessant? Wat zou je willen vragen en aan welk personage? Heb je zelf een antwoord op deze vraag?"
  • Dit kun je naspelen.
  • Maak gebruik van 'de lege stoel' om karakters te interviewen. (Zie de werkvorm "Hot seat" in het boek "Het geschenk van de woestijn". Houtzager en Deen, 1995)
  • Als leerkracht blijf je de regie houden.
  • Speel fragmenten na en ga uit van de kinderen.
  • Stel korte prikkelende vragen om het kind in rol te helpen.
De leerkracht als regisseur kan dingen in scène zetten en moet zo nodig grenzen stellen aan wat er gebeurt.

NB: Leg de nadruk op de performance. Vraag de kinderen niet te applaudisseren of te roepen. Zo voorkom je dat kinderen worden voorgetrokken of achtergesteld.

Tot slot nog enkele interessante websites:
www.dramatori.nl
www.symbaloo.com
www.beleven.org/verhalen