Taalweb






Efficiënt woorden leren


Als "taalcontactpersoon"voor onze school heb ik dit jaar veel informatie gekregen over nieuwe ontwikkelingen. In drie artikelen geef ik graag wat informatie door. Dit artikel is het eerste in deze korte serie.

In een interactief college gaf de bekende taalkundige Marianne Verhallen uitleg hoe leerlingen zo veel mogelijk woorden kunnen leren in zo kort mogelijke tijd. Dit college vond plaats in het kader van de jaarlijkse AmsterdamseTaalwebconferentie op 3 februari jl. De theorie werd meteen door haar in de praktijk gebracht, zodat de aanwezigen na afloop goed wisten hoe ze het leren van woorden moesten aanpakken.

Interactieve opdracht

Marianne verzocht iedereen die een bepaald woord kende, te gaan staan. De volgende negen woorden somde ze op. Kent u de betekenis?

Het salaris, het lexicon, glosseren, de girator, de gorgel, glucacon, hyperglycemie en hypoglycemie.

De eerste twee woorden kende vrijwel iedereen. De andere woorden waren voor de meeste toehoorders onbekend.

De theorie van het leren van woorden

De theorie van de woordenschatuitbreiding is ons al eens uitvoerig uitgelegd door Prof. Dr. Folkert Kuiken. Hij heeft twee lezingen op onze school gehouden over leesstrategieën en woordenschatontwikkeling. Verhallen maakte duidelijk dat woorden op een specifieke manier in de hersenen zijn opgeslagen. Ieders beschikbare woordenschat is een lexicon dat allerlei netwerken bevat waarbij nieuwe woorden worden ingepast. Zo'n netwerk lijkt op een "spinnenweb"uit een brainstorm: één woord in het midden, met daar omheen talrijke woorden die er een intuïtief of rationeel verband mee hebben.

Woordenschatontwikkeling vindt op twee manieren plaats. Een taalgebruiker pikt incidenteel woorden op die hij binnen zijn lexicon een plaatsje geeft. Daarnaast zijn er situaties waarin een taalgebruiker intentioneel woorden leert, bijvoorbeeld noodzakelijk vakjargon. Een succesvolle intentionele instructie kent vier elementen: verbindingen leggen, betekenissen verhelderen, herhalen en actief verwerken ("processing"). Door middel van verdere uitleg bij het bovenstaande woordentoetsje illustreerde ze de verschillende vormen van instructie.

Haar uitleg doorspekte ze met de betreffende moeilijke woorden (herhaling) en gaf zo nu en dan een betekenis prijs.

Praktijkvoorbeelden

Glosseren:
van een verklarende kanttekening voorzien. Nadere uitleg hierbij is volgens haar niet nodig, want een intelligente luisteraar onthoudt zo'n betekenis. Het is onnodig en niet efficiënt om hierbij voorbeelden te noemen.

De girator:
Ze liet hier enkele citaten uit "Alleen op de wereld"zien, waaruit de betekenis uit de context af te leiden zou zijn. Bijvoorbeeld (geparafraseerd): "Toen de girator honger had en langs de huizen trok, kreeg hij tot zijn verbazing resten voedsel aangeboden." Een girator blijkt een landloper, een rondtrekkende zwerver, te zijn.

De gorgel:
een (ouderwets) woord voor "keel". Vergelijk "gorgelen". Nadere uitleg hierbij is ook inefficiënt, iedereen weet wat een keel is.

Glucacon:
suikerhoudende stof in het bloed. Nadere uitleg is alleen in specifieke situaties nodig.

Hyperglycemie en hypoglycemie
gebruikte ze vervolgens in een aantal zinnen, maar de betekenis bleef raadselachtig. Volgens haar is actief verwerken bij dit soort begrippen het beste. Om dit te verduidelijken zette ze twee doorzichtige vazen met een rode vloeistof (bloed) neer en nodigde twee personen uit het publiek uit om er suiker in te gaan strooien. De inhoud van de ene vaas ging bruisen en de suiker bleef aan de oppervlakte als een witte mist zichtbaar. De conclusie was dat dit bloed geen suiker meer opneemt omdat het min of meer verzadigd is. Dit verschijnsel heet hypoglycemie.

De vloeistof in de andere vaas nam de suiker kennelijk wel op; in de oplossing was daar nog ruimte voor. Dat verschijnsel heet hyperglycemie. Door de zichtbaarheid van het voorbeeld zal de taalgebruiker beide begrippen eerder uit elkaar weten te houden. Een dergelijke didactiek is een voorbeeld van aanschouwelijk onderwijs.

De snelste manier

De snelste manier is een combinatie van de hierboven beschreven technieken: uitbreiden, uitleggen en uitbeelden. De meest efficiënte aanpak sluit altijd aan bij de manier waarop woorden in het menselijk brein in netwerken zijn opgeslagen en bij de manier waarop woorden geleerd worden. De uitkomsten van onderzoek naar instructietechnieken komen erop neer dat diepgang nodig is, dat een combinatie van instructietechnieken het beste werkt en dat het herhalen en de stof laten verwerken noodzakelijk zijn voor het behalen van acceptabele resultaten.

Toepassing?

Uiteraard is het mogelijk bovenstaande in de lessen in de praktijk te brengen. Het ligt voor de hand dat er met deze bewuste keuze bij het aanbieden van nieuwe woorden goede resultaten zijn te behalen.

Hans van der Straeten